woorden die werken

Hun zeggen dat hun het goed zeggen

Je hoort de laatste honderd jaar steeds vaker ‘hun zeggen’. Waarom? Het is toch ‘zij’? ‘Hun’ is toch fout? Waarom dan toch ‘hun’? Een interessante vraag bij taalontwikkelingen is: wat schiet de taal met zo’n vernieuwing op? Taal ontwikkelt zich naar efficiënter gebruik. Wat we willen zeggen, willen we gemakkelijker en preciezer kunnen zeggen. 
- “Nou, dat zal toch bij dat domme ‘hun’ zeker niet zo zijn? Kom zeg …” 
Hier komt de eerste verrassing: lekker wel. Vergelijk: 

1. Ze liggen op de grond. 
2. Hun liggen op de grond.

‘Ze’ kunnen de kinderen zijn, maar evengoed de poppen, de speelgoedautootjes, de katten of de kussens. Bij de tweede zin duidt ‘hun’ altijd op mensen. Een hun-zegger die ‘Hun liggen onder op de grond’ zegt, heeft het nooit over aardappels. In dat geval zou ook de hun-zegger namelijk ‘ze’ of ‘die’ gebruiken.
Het onderwerp ‘hun’ is dus gereserveerd voor personen, terwijl je met het oude vertrouwde ‘ze’ ook dingen en dieren kunt bedoelen. ‘Hun’ zorgt daarmee dus voor een nieuw betekenisvol onderscheid.

Dit zal voor de hun-bestrijders best even slikken zijn. Ten eerste dat zoiets fouts als ‘hun’ een toevoeging aan de taal zou wezen. En dan ook nog eens dat er met zoiets fouts als ‘hun’ regels gemoeid zouden zijn! Dat kan toch niet?? Wie heeft die regel dan bedacht? 
Niemand. Taalregels worden namelijk niet bedacht. De taal kent geen regelaar die wetten verzint die de taalgebruikers vervolgens gaan naleven. Taalregels leid je af uit de taal. Het voorbeeld hierboven illustreert dat. 
Wel hebben we een cultuurtaal, het ‘Standaardnederlands’ (vroeger ‘ABN’ genoemd), die bepaalt wat als meer of minder verzorgd wordt gezien. Deze wijkt af van de levende taal. Denk aan ‘groter dan’, ooit verkozen boven ‘groter als’, terwijl ‘als’ in nagenoeg het hele taalgebied de spreektaalvorm is. ‘Als’ is dus alleen maar ‘fout’ omdat de standaardtaal ‘dan’ voorschrijft. 
‘Hun’ als onderwerp is in de cultuurtaal taboe. Jammer voor de hun-zeggers. Ze worden op hun ‘fout’ aangekeken. Zeg je ‘hun zeggen’, dan zul je minder serieus worden genomen. In een sollicitatiegesprek voor een witteboordenbaan is ‘hun zeggen’ een afwijzingsgrond – al zullen zullie van de commissie dit niet hardop zeggen.

- “Hun hebben een verbetering? Wat een onzinverhaal. Vréselijk is het, vréselijk. Je reinste taalverloedering! Dat vindt ú als tekstschrijver toch ook?”
Ach, taalgebruikers betitelen taalontwikkelingen die hun onwelgevallig zijn, dikwijls als ‘verloedering’. Behalve in dit blogje zal ik het niet schrijven en ik moet bekennen dat ik een consequente zij-zegger ben. Maar wat ik ervan vind doet er even weinig toe als de mening van wie dan ook. Want de taal trekt zich van meningen lekker niks aan.

En nu de tweede verrassing. ‘U’ heeft dit eerder meegemaakt. Precies wat in de 20e en 21e eeuw met ‘hun’ gebeurt, gebeurde in de 18e en 19e eeuw met ‘u’. Men zei: ik geef het u en ik neem u mee. (precies zoals bij het Drentse ‘oe’, dat met ‘u’ verwant is). ‘U’ als onderwerp van de zin (in plaats van gij/ge of jij/je) was een omstreden innovatie. ‘Dat vindt u toch ook?’ kon bij de puristen van die tijd beslist geen genade vinden. Lees deze passage uit Klaasje Zevenster (1866) van Jacob van Lennep:

‘… waarom je telkens tegen de […] spraakkunst zondigt, die je toch grondig geleerd hebt, en u in den eersten naamval gebruikt.’
- ‘Ik... u?’ vroeg Klaasje, verwonderd opziende: ‘hoe meent u dat?’
- ‘Wel! daar doeje ’t alweêr?’ hernam Bol: ‘hoe meent u dat? Is dat nu gezond en gangbaar Hollandsch?’

In de spreektaal is ‘hun zeggen’ niet meer te stuiten, al blijft het een taboe waar je u tegen zegt. De schrijftaal is aan ‘hun zeggen’ voorlopig nog niet toe. Zeggen ze.

Volgende blog:

Geboorte van een mormel

<< overzicht blogs