woorden die werken

Bij Jip en Janneke op school

- Schrijf jij dat verhaal voor mij? vraagt Jaap.
- Dat is goed, zegt Johan.
- Maar wel in jip-en-janneketaal, zegt Jaap. Want dat kun jij.
Johan denkt na. Kan hij dat echt? Jip-en-janneketaal lijkt gemakkelijk. Maar is dat ook zo? Lezen wel. Maar schrijven? Hij weet het niet. Oei.
- Ik ga het proberen, zegt hij.
- Jaap is blij. Hij klopt Johan op de schouder.

In gesprekken over tekst komen de twee buurkinderen van Annie Schmidt dikwijls om de hoek kijken. Sommigen zien ‘jip-en-janneketaal’ als synoniem voor de hoogst bereikbare vorm van begrijpelijk schrijven. Anderen duiden er juist onwenselijke infantilisering mee aan. Gelukkig heeft de positieve kijk de overhand.

Welke kenmerken heeft die veelbesproken taal? Wat kunnen we van deze pensioengerechtigde kleuters opsteken? Een eerste kenmerk ligt voor de hand: korte zinnen, korte woorden. Jacqueline Evers-Vermeul en Ted Sanders telden in hun artikel over jip-en-janneketaal (2009) voor het Genootschap Onze Taal gemiddeld zes woorden per zin, met gemiddeld vier letters per woord.

Die zinnen blijven zo kort door woorden weg te laten en door zinnen te ‘hakken’. De woorden waarop bezuinigd wordt, vullen lezers (als van)zelf aan. [Het water is] Koud, zegt Jip. Maar [het voelt] wel lekker. Dit is meteen een manier om nieuwe informatie in hapklare brokjes te op te dienen. Ook voor grote-mensenteksten een bruikbare tip: niet te veel in één keer willen vertellen, gun de lezer adem om de info te verwerken. 
De gehakte zinnen beginnen nogal eens met een voegwoord, zoals ‘want’, ‘maar’ en ‘en’. Voorbeeld: We hebben al een hond. En een egeltje. Voegwoorden en verwijswoorden bezorgen de tekst een heldere samenhang. Zij dienen als de lijm tussen de zinnen. Alleen korte zinnen maken de tekst nog niet gemakkelijker. Voor begrijpelijkheid is een duidelijke structuur een tweede voorwaarde. Op dit vlak valt er van Jip en Janneke zeker te leren. 

Jip-en-janneketaal is slechts voor één uitleg vatbaar. Verder is alles in deze taal concreet. Abstracties, figuurlijke uitingen en uitdrukkingen ontbreken.
Andere stijlkenmerken zijn de dialogen in de directe rede. Meer dan de helft van de zinnen geeft de gesprekken letterlijk weer, aldus Evers en Sanders. De vraag-en-antwoordstijl draagt bij aan een helder samenhangend verloop van het verhaal. Het verhaal is consequent in derde persoon geschreven. ‘Ik’ komt alleen voor in uitspraken: Dat kan ik niet helpen, zegt Janneke.

Jip-en-janneketaal bedient zich van de tegenwoordige tijd. Passief taalgebruik (met het werkwoord ‘worden’) komt enkel voor in constructies als Er wordt gebeld, en dan alleen wanneer de kinderen (nog) niet weten wie hierachter zit. Met andere woorden: er is dus altijd iemand die iets doet. Kom daar maar eens om in grote-mensenland!

Jip-en-janneketaal heeft een spreekwoordelijke status gekregen. ‘Eenvoudige, voor iedereen begrijpelijke taal’, aldus Van Dale. 
Eenvoudig schrijven verdient in informatieve teksten altijd de voorkeur. Onnodig moeilijke teksten wekken wrevel bij de lezer. Te simpele teksten echter ook. De lezer voelt zich onderschat, wordt kriegel, ongeduldig of gaat zich vervelen. Volharden in ‘echte’ jip-en-janneketaal zal kinderachtig overkomen. Wat onverlet laat (géén jip-en-janneketaal!) dat je bepaalde elementen prima kunt gebruiken.

- Nou, is het gelukt? vraagt Jaap.
- Ik weet het niet, zegt Johan. Een klein stukje misschien. Ik vind het moeilijk. Lees zelf maar.

<< overzicht blogs